In een hoek tegen de bossen staan een twintigtal lemen hutten welke men de naam van "Brazilië" heeft gedoopt, terwijl de bewoners "Brazilianen" worden genoemd. Brazilië en Brazilianen zijn hier als scheldwoorden bedoeld.
Armer, maar ook luier, volk dan deze Brazilianen bestaar er in België waarschijnlijk niet. 's Zomers liggen ze te geeuwen en te gapen in de frisse schaduw van de vlierboom of bedelen zij in de naburige gemeenten. Maar 's winters, wanneer het ijzig koud is en de heide bedekt is met een wit sneeuwlandschap, dan is het oogsttijd voor de Brazilianen. De bewoners van Zandvliet hebben medelijden met hen en zijn vrijgevig.
Aan school denken de Brazilianen niet, ze groeien op in de onwetendheid en zijn later, net als de ouders, onbekwaam om op een deftige wijze hun brood te verdienen.
De echte Braziliaan heeft altijd een waar of geveinsd lichaamsgebrek, is zeer slordig gekleed, lopen altijd barrevoets en enkel in buitengewone voorvallen gewassen.
Bron:
"Een Vlaamsch Scheldedorp", Jacob Stinissen en Lambert Waelbers (1909) |