Van de 3 laatst aangehechte gemeenten bij Antwerpen, namelijk: Berendrecht, Lillo en Zandvliet, verwierf laatstgenoemde ook op de derde plaats bekendheid in het ganse land en zelfs buiten de grenzen.
Immers, Lillo staat al jaar en dag bekend als het krabbenvangersdorp, terwijl Berendrecht tot in de uiterste hoeken geroemd werd om zijn "Reigerskolonie". Zandvliet was wel een stadje geweest tijdens de Spaanse Overheersing, maar dit ligt zo ver in het verleden. Ook schonk het in de 19e eeuw van onze Vlaamse cultuur de beroemde schilder Nicasius De Keyser. Maar dit alles maakte nog niet, dat West-Vlamingen of Luxemburgers ons dorp wisten liggen. Het is maar, nadat Zandvliet een bezienswaardige toeristische merkwaardigheid werd, door zijn uitgestrekte bloembollenvelden, dat de naam Zandvliet klank kreeg.
In 1933 werden in onze zware poldergronden de eerste tulpenbollen geplant door enkele Nederlanders, waaronder Johan Eyking de meest vooruitstrevende was. Nederland bezat reeds uitgestrekte culturen in Noord-Holland, in de streek van Haarlem, die sinds de 19e eeuw een gestadige vooruitgang hadden geboekt.
Ongetijwfeld is de tulp een Aziatische plant, waar ze reeds eeuwen door de Perzen en de Turken werd geteeld maar nooit hadden zij de verscheidenheid bereikt in de variëteit, die de Nederlanders wisten te verwezenlijken. Stelselmatig werd in onze zware polder de beplante oppervlakte opgedreven en nergens ter wereld vond men een bloementapijt van zulke afmetingen, in één enkel vlak. Stel U voor, 150000 m² beplant met rank opschietende tulpenstengels, bekroond met een verscheidenheid van enig mooie kleuren. Het was dan ook niet te verwonderen, dat duizenden en duizenden toeristen tijdens de voorjaarsmaandan, wanneer andere toeristische gelegendheden nog geen aantrok hadden, de weg vonden naar het noorden van de provincie Antwerpen. Festivals werden ingericht, tenten geplaatst en parkeergelegenheid geschapen. Men mocht toen werkelijk spreken van zondagen gedurende de werkweek. Anecdotisch kunnen we hierbij vertellen, dat een rentenierende landbouwer, aan de Berendrechtse veldwachter vroeg: "Waar geraken die honderden auto's allemaal gedraaid?" Die fameuze zondag waren er meer dan 25000 inkomticketten verkocht.
De tweede wereldoorlog vernietigde het reuzenwerk. In 1948 stond Johan Eyking opnieuw op de bres en kreeg thans het gezelschap van de geboren en getogen Zandvlietenaar Louis Eestermans, een self-made man. Opnieuw werden grootse plannen uitgewerkt. Een plaatselijk comité zorgde voor de publiciteit. Allerhande omstandigheden, maar vooral de watersnood van 1953, maakten een einde aan de eens zo schone Zandvlietse bloembollenvelden.
Bron:
Zandvliets Verleden |