De kerk is, door de eeuwen heen, steeds op haar zelfde plaats blijven staan, toch heeft zij een beroerde geschiedenis achter de rug.
Ten tijde van Godfried van Bouillon bezaten wij reeds een kapel, die wat later vervangen werd door een tweede, welke in 1124 tot parochiekerk verheven werd door de Bisschop van Kamerrijk. Rond 1254 rees een nieuw kerkgebouw op. Voor deze kerk bouwde een zekere Erasmus Schets in 1530 een toren. Maar in 1544 was de kerk zo erg verwoest geworden, dat de toren helemaal werd afgebroken en in 1561 per schip naar Antwerpen gebracht werd waar het afval gebruikt werd als bouwmateriaal voor de fundamenten van het Antwerpse Stadshuis. In 1584 brandde de kerk, samen met alle huizen die er rond stonden, totaal uit. Aanvankelijk werd nog mis gedaan in een kleine hut, maar aangezien ons dorp van 1586 tot 1594 verlaten was, bleef ook de kerk in puin liggen. Pas in 1596 werd het hoogkoor hersteld, maar in 1606 waaide dit opnieuw om. Men wilde toen enkel een toren en een kruiskoor oprichten, doch het odige geld ontbrak, zodat Albrecht en Isabella, in 1618 toelating moesten geven om gedurende zes jaar een speciale belasting te zetten op het bier en de wijn, om daarmee de kosten voor het opbouwen van de kerk te dekken. In 1648 werd de kerk pas volledig heropgericht, door toedoen van de abt van St. Michiels. Deze kerk werd tijdens de beschieting van 1705 volledig vernield. Een jaar later lechter werd ze reeds heropgebouwd. Dit ging echter niet zonder moeite; er werd proces-verbaal opgesteld wegens schriftvervalsing en niet naleven van een reeds voor 1708 aangegane overeenkomst omtent de wederopbouw van de kerk.
In 1753 werd deze kerk door brand getroffen en met gans haar inboedel weer vernield. De abt van St. Michiels en de Heren van het Kapitel bezorgden echter het nodige opdat deze kerk heropgebouwd zou kunnen worden. In 1760 werd een brief opgesteld, gericht aan de Bisschop van Antwerpen, waarin de door de Zandvlietse kerkenraad gevraagd wordt, dat de Bisschop zou meehelpen bij het aflossen van een schuld van 4000 gulden aan de heren van St. Michiel.
In 1845 werd de kerk opnieuw vergroot, met twee bogen, alhoewel er ook toen weer geldmoeilijkheden waren. In 1854 kreeg het kerkhof een ijzeren gril. In 1940 brandde de kerk opnieuw af ( zie hieronder ). De noodkerk werd ingericht op het Klooster, in de zaal van Leon Waegemans en in de kleuterschool waar zij zou blijven tot bij de wederopening op 27 maart 1953.
De verwoesting van het kerkgebouw in 1940:
In sommige historische nota's wordt vermeld, dat de kerk van Zandvliet gedynamiteerd werd; dit is volkomen onjuist. Hieronder wordt de juiste versie verteld door wijlen Petrus Snoekx, die de gebeurtenis persoonlijk bijwoonde bij de ontruiming van het gebouw behulpzaam was.
Op 13 mei moest het Belgische detachement alle vernielingen in zijn sector uitvoeren benoorden de linie van de tankval. Hierin waren, benevens de hoofdwegen en enkele bruggen, ook de kerktorens van Zandvliet en Berendrecht begrepen, die niet als waarnemingsposten in de handen van de vijand mochten vallen. De militairen beschikten over een tamelijk beperkte hoeveelheid springstof, die zij overigens nodig hadden om de toegangswegen uit Nederland op te blazen. Daar de kerk van Zandvliet een ietwat speciale bouwwijze had en niet voorzien was, zoals deze van Berendrecht, van een massieve gemetselde toren, doch van een houten dakruiter, opgesteld in het vlak van de voorgevel, twijfelde men aanvankelijk aangaande de doeltreffendheid van het gebruik van springstof. Men kon natuurlijk de voorgevel opblazen waardoor het torentje vanzelf zou neergestort zijn, doch daar het hier ging om een open en grotendeels uit hout gebouwd torentje, en met de bedoeling, de kerk zoveel mogelijk te sparen, hadden goedmenende inwoners contact opgenomen met de militairen en voorgesteld de stijlen van het torentje door te zagen en dit aldus te verwijderen zonder het kerkgebouw nodeloos te vernielen. Er hadden zich zelfs burgerlijke vrijwilligers aangeboden om de karwei uit te voeren. Aanvankelijk scheen dit voorstel bij de militairen in goede aarde te vallen en de bevelvoerende officier had zelfs pastoor Van de Keybus in dat opzicht tamelijk gerustgesteld. De zaak kreeg nochtans een heel ander verloop. Omdat de kerk niet kon worden opgeblazen, waarschijnlijk bij gebrek aan springstof, en zij, zelfs zonder het torentje, als hooggelegen uitkijkpost kon dienen, werd rond de middag bevel gegeven ze gewoon in brand te steken. Toen de ontstelde bevolking dit vernam en het bevel onherroepelijk was, begonnen omwonenden met grote haast de inboedel te ontruimen en deze bij goedwillige geburen te bergen. De pastoor bracht de gewijde vaten naar de kapel van de zusters der school aan de Noordlandstraat. Gelukkig had men reeds van te voren, in verband met de oorlogsdreiging, het kostbaar beeldhouwwerk uit de communiebank en het schilderij van Nicasius de Keyser in veiligheid gebracht. Toen al het los meubilair buitengebracht was, bleven de kansel en de biechtstoelen nog achter omdat ze muurvast bevestigd waren. De pastoor aarzelde: hij verliet zich nog steeds op de toezeggingen van de bevelvoerende officier, dat het alleen om het torentje zou gaan. Doch omstaanders meenden, en terecht, dat zelfs bij het afstoken van het torentje het hele gebouw in vlammen zou opgaan. Timmerman Van den Bogaert toog dadelijk aan het werk en slaagde erin op tamelijk korte tijd de kansel en de biechtstoelen toch nog los te kunnen maken. Doch, het klankbord van het kansel, het orgel, de altaren, het gestoelte, de omlijsting van de communiebank en enkele zware beelden bleven nog ter plaatse. Men kon dit niet allemaal tijdig meer verwijderen, want rond 16h00 werden stro en benzine op de kerkzolder gedragen en het dak werd in brand gestoken. Rook en vlammen sloegen eerst uit de dakvenstertjes en de toren vatte pas vuur, nadat reeds een gedeelte van het dak was ingestort. Toen de stijlen van het torentje waren doorgebrand, viel dit in zijn volle lengte, deels op het dak van de kerk, deels op het kerkhof in zuidelijke richting. De brand duurde verschillende uren en kon vanop grote afstand worden opgemerkt: de vlammen reikten op een zeker ongenblik tot 20 meter hoogte. Alleen de zwartgeblakerde muren bleven overeind. Met het torentje gingen ook de twee klokken verloren:
a) Een klok van 0,56 meter diameter, gegoten door Van Aerschot te Leuven, in 1857. Beeltenis van O.L.V. Opschift: "Tot nagedachtenis hare Majesteit de Koningin der Belgen, Lucovica-Maria". A. L.J. Van Aerschot, successor A. Van den Gheyn, me fudit Lovanii 1857. P. Offeciers, pastoor, J.B. Bril, burgemeester, Fr. Van Linden, peter, Adr. Van broeckhoven, meter, Th. Van der Vorst, onderpastoor.
b) een klok van 0,84 meter diameter, met beeld van de H. Gertrudis, doch zonder jaarmerk. Opschift: "Andreas Lud. Van den Gheyn me fudit Lovanii"
Nog een tragisch detail: pastoor Van de Keybus overleefde de brand van zijn kerk slechts goed twee maanden: hij overleed op 31 juli 1940 in het St. Kamillusziekenhuis te Antwerpen.
De wederopbouw van de kerk moest dus door zijn opvolger, pastoor Moors, worden ter hand genomen en was slechts in 1953 voltooid. De nieuwe kerk is niet de getrouwde weergave van de in 1940 afgebrande kerk: er zijn enkele verschillen die duidelijk opvallen bij de vergelijking van de respectievelijke foto's.
Storm in 1990
Het is 25 januari 1990 wanneer ons land getroffen wordt door een van de zwaarste stormen ooit. In Bevekom werd een rukwind gemeten van maar liefst 168 km/h, wat tot op heden nog altijd een record is. Ook de noordelijke polders kregen het hard te verduren, zo kreeg de hulpdienst in Stabroek (toen nog Hoevenen) 160 oproepen te verwerken en viel er een dode in Putte te betreuren. Maar ook Zandvliet werd zwaar getroffen. De kerk, die zoals hierboven beschreven het in de loop der jaren al hard te verduren kreeg, werd ook deze keer niet van het onheil bespaard. Het was omstreeks half vijf dat met een hels lawaai de torenspits zich van het dak los rukte en aan de noordelijke kant op het kerkhof neer kwam en hierbij enkele zerken beschadigde. In het dak zelf werd een gat van ongeveer 2m bij 2m geslagen. Ook het orgel werd geraakt en het houtwerk van het dak gedeeltelijk vernield. Ook de klokken werden niet gespaard, 1 van de twee klokken kwam mee naar de begane grond. De andere bleef hangen en werd zelfs nog geluid. Verder was er nog schade aan de ramen. Het vroegere klooster aan de Begijnhoeve deed in het weekend opnieuw dienst voor de Heilige missen. De kerk werd de dagen die volgde voldoende hersteld zodat op 10 februari een eerste huwelijk kon plaats vinden in de torenloze kerk. Het waren An Lenaerts en Rudi Beekman die elkaar het jawoord gaven.
Bronnen:
Zandvliets verleden.
De Stadt Santvliet, Uitgave Heemkundige kring van de Antwerpse polder v.z.w.
Weekblad De Polder
Foto storm: Van Wijck Guillaume |